logo

Artikel 34 Wrbprint icon

Lid 1:

Rechtsbijstand overeenkomstig de bepalingen van deze wet wordt verleend aan hen wier inkomen per jaar € 21.800 [Red: per 1 januari 2019: € 27.300] of minder bedraagt, indien zij alleenstaand zijn, dan wel, indien zij met één of meer anderen een gemeenschappelijke huishouding voeren, ten hoogste € 31.000 [Red: per 1 januari 2019: € 38.600] .

Lid 2:

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt geen rechtsbijstand verleend, indien de rechtzoekende beschikt over een vermogen dat meer bedraagt dan het heffingvrij vermogen.

Lid 3:

Bij de vaststelling van het inkomen en vermogen van de rechtzoekende worden, behoudens het geval van onderling tegenstrijdige belangen, mede in aanmerking genomen het inkomen en vermogen van:

  • a. de echtgenoot of geregistreerde partner van de rechtzoekende, tenzij deze op het moment van de aanvraag duurzaam van hem gescheiden leeft;
  • b. de persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie de rechtzoekende duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij tussen deze en de rechtzoekende op het moment van de aanvraag een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.

Lid 4:

De inkomensgrenzen, bedoeld in het eerste lid, worden jaarlijks per 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat afronding plaatsvindt op het naastliggende veelvoud van EUR 100,-. Onze Minister maakt jaarlijks de geïndexeerde bedragen bekend door publicatie in de Staatscourant. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder het indexcijfer van de lonen, bedoeld in de eerste volzin, wordt verstaan.

Gepubliceerd op Kenniswijzer: 20-12-2010

Laatst gewijzigd: 01-01-2018

Top